Deze handreiking beschrijft hoe overheidsregisters zo ontworpen en gebouwd kunnen worden dat ze betrouwbaar,
transparant en herstelbaar zijn. Ze is bedoeld voor ontwikkelaars en ontwerpers die werken aan capabele
registers bij de overheid.
Status van dit document
Op basis van de inzichten uit het
project "Uit betrouwbare bron" bieden we handvaten
aan om beslissingen te nemen bij het ontwerpen en bouwen van registers. Dit document wordt stapsgewijs
uitgebreid.
Aanleiding en doel
Waar ontbreekt het (nu) aan?
De overheid heeft de bevoegdheid om vergaand in de situatie van
burgers en bedrijven in te grijpen. Door automatisering van het
inwinnen en verwerken van gegevens kon dit ingrijpen een steeds
grootschaliger karakter krijgen. Onze vermogens om overheidshandelen
te begrijpen, controleren en daarbij eventueel gemaakte fouten te
herstellen hielden met de mogelijkheden van digitalisering echter
geen gelijke tred.
Waar het misging werden daardoor niet alleen meer
burgers en bedrijven getroffen. Doordat gegevens geautomatiseerd
door ketens stroomden, konden op basis daarvan meerdere organisaties
handelen. Fouten hadden daardoor voor betrokkenen ook
verstrekkender gevolgen.
Deze handreiking beschrijft hoe we overheidsinformatie in
registers zodanig kunnen vastleggen en beschikbaar stellen dat we de
betekenis en waarde daarvan beter kunnen beoordelen, fouten zoveel
mogelijk kunnen voorkomen en die - als dat niet lukt - in ieder
geval herstellen.
De happy en de crappy flow
Zo lang burgers en bedrijven dingen willen die wij vooraf hadden
bedacht, tijdig de juiste informatie aanleveren, en ‘onze’
overheidsgegevens kloppen - voorwaarden waaraan in de meeste
gevallen wordt voldaan - verlopen processen snel en met minimale
menselijke tussenkomst.
Maar wat gebeurt er als zo’n burger of bedrijf wordt
geconfronteerd met een situatie die niet past binnen de grenzen van
de happy flow? Bijvoorbeeld naar aanleiding van een minder
vaak voorkomend verzoek of betrokkenheid bij een proces met
onvoorspelbaar verloop. Nog lastiger wordt het als iets moet worden
aangevochten, onderzocht of gecorrigeerd? Deze handelingen zijn
onderdeel van de crappy flow: een werkstroom die vrijwel
altijd handwerk vereist, en soms überhaupt niet wordt
afgehandeld.
Dit betekent dat resultaten die ontstaan uit happy flows zich
gemakkelijk en grotendeels geautomatiseerd door het
overheidsapparaat kunnen verspreiden, terwijl uit crappy flows
voortkomende twijfelindicaties en correctiehandelingen - als ze al
verwerkt worden - nauwelijks de grens oversteken naar vanuit
gegevensgebruikperspectief stroomafwaarts liggende domeinen.
Waardoor in die domeinen op basis van verkeerde gegevens onjuiste
gevolgen geproduceerd kunnen worden.
Parabel: Infrastructuur van Digitalië
De eilanden van het atollenrijk Digitalië zijn met indrukwekkende
hogesnelheidsinfrastructuur verbonden. Maar die is alleen
toegankelijk voor een selecte meerderheid van contente
conformisten.
Pogingen om op deze infrastructuur ook een minderheid van
abusievelijke anarchisten toe te laten zijn allemaal
mislukt. Want deze groep zonder vaste bestemming negeerde zorgvuldig
vastgestelde gewichts- en hoogtebeperkingen, bewoog zich tegen
rijrichtingen in en vroeg om afritten op onmogelijke plaatsen.
Terwijl hoog boven de golven contente conformisten voortrazen,
zijn abusievelijke anarchisten in hun kleine scheepjes nog altijd
overgeleverd aan de stormen van de Analoge zee. “Natuurlijk is dat
onrechtvaardig”, bevestigt een beleidsmaker. “Maar er is gewoon geen
businesscase.”
Epistemische nederigheid
Het bovenstaande maakt duidelijk dat overheidsinformatie niet
altijd klopt. En dit soort onjuistheden zullen altijd overblijven,
hoeveel crappy flows we ook in happy flows weten om te zetten. Deze
constatering vraagt om epistemische nederigheid; het
erkennen dat onze kennis beperkt, voorlopig en mogelijk onjuist
is.
Maar naar dit principe handelen is moeilijk als het gereedschap
om de waarde van informatie te kunnen beoordelen ontbreekt. Binnen
de overheid kunnen we zo’n inschatting op dit moment vaak alleen
voor het ‘eigen’ domein maken. Dit betekent dat we niet kunnen
achterhalen wie een keten van overheidshandelen in beweging heeft
gezet, en wanneer en met welke reden dat is gebeurd. En dat we geen
compleet beeld hebben van hoe lang óns handelen verderop in de keten
nog doorwerkt.
Om dit op te lossen hebben we meer en beter inzicht in de context
van onze informatie nodig. Deze behoefte kunnen we samenvatten in
een aantal aspecten:
Historie: hoe zag de situatie er in het
verleden uit en welke veranderingen hebben door de tijd heen
plaatsgevonden?
Aanleiding: welke input initieerde ons
handelen?
Legitimering: welke wet of regel legitimeerde
ons handelen en het gevolg dat door dat handelen werd
geproduceerd?
Verklaring: welke (geautomatiseerde)
handelingen hebben we uitgevoerd om een gevolg te produceren?
Zekerheid: in hoeverre, en op grond waarvan
kunnen we uitgaan van de (on)juistheid van een gegeven?
Wat is een register?
Betekenis van het begrip
‘register’
Het woord ‘register’ heeft in verschillende contexten
uiteenlopende bekentenissen. Een organist zal daarbij denken aan een
serie orgelpijpen met dezelfde klankkleur, een auteur ziet een lijst
met trefwoorden voor zich, terwijl een werkplekbeheerder zich de
editor voorstelt waarmee instellingen van Windowssystemen kunnen
worden aangepast.
Associaties van geïnteresseerden in deze handreiking zullen
waarschijnlijk dichter bij elkaar liggen. Maar ook als we de
betekenisruimte inperken door te stellen dat een register iets te
maken moet hebben met het verwerken van informatie binnen de
overheid, blijven nog uiteenlopende zienswijzen over.
Bijvoorbeeld:
holistisch: een volledig stelsel gericht op het
bijhouden en leveren van bepaalde gegevens, bestaande uit wet- en
regelgeving, betrokken organisaties en hun onderlinge afspraken,
systemen voor opslag en distributie van gegevens en de technische
infrastructuur die hiervoor nodig is;
universeel: een digitaal of fysiek bijgehouden
verzameling geordende informatie;
afnamegericht: een plaats waar bepaalde
gegevens onder bepaalde voorwaarden verkregen kunnen worden, of
technisch: een database.
Om verwarring te voorkomen, is het belangrijk het begrip register
in de context van ‘Uit betrouwbare bron’ betekenis te geven. Wij
definiëren een register als volgt:
“Een applicatiecomponent, of een verzameling samenwerkende
applicatiecomponenten, gericht op het betrouwbaar vastleggen en
presenteren van een geordende verzameling digitale
overheidsinformatie.”
Register of registratie?
Binnen de overheid gebruiken we voor aanduiding van een
georganiseerde gegevensverzameling zowel het begrip
register (Kentekenregister, Register van
overheidsorganisaties, BIG-register, UBO-register) als
registratie (met name in de context van
basisregistraties).
Er zijn twee redenen om binnen ‘Uit betrouwbare bron’ het begrip
register te gebruiken. Enerzijds sluit dat het beste aan bij de
betekenis in ‘gewoon’ taalgebruik. Een register is volgens het Van
Dale-woordenboek een “inschrijvingsboek, naamlijst; goed geordende
inhoudsopgave: bevolkingsregister, namenregister”, terwijl
registratie wordt gedefinieerd als “inschrijving in een register: de
registratie van een koopakte.”
Daarnaast willen we de indruk vermijden dat ‘Uit betrouwbare
bron’ gaat over basisregistraties. Hoewel het project niet tot doel
heeft een in productieomstandigheden werkend register op te leveren,
verwachten we dat in deze handreiking beschreven bevindingen in
eerste instantie waardevol zullen zijn binnen domeinen waarbinnen op
basis van gedeelde kennis intensief wordt samenwerkt, maar (nog)
geen basisregistratie bestaat.
Perspectieven op het
register
Een definitie alleen is niet genoeg om duidelijk te maken
waarover ‘Uit betrouwbare bron’ gaat. Ook een applicatiecomponent
kan je immers vanuit verschillende perspectieven benaderen. Om
duidelijk te maken welke daarvan wij innemen, beschrijven we de
scope van het project aan de hand van twee elkaar aanvullende
architectuurmodellen:
Architectuurmodellen EIRA en Common
Ground in relatie tot elkaar
Architectuurlagen en scope
UBB
Betere ondersteuning van de crappy flow en het
faciliteren van epistemische
nederigheid vereist verandering in alle EIRA-lagen: juridisch,
organisatorisch en technisch. Deze handreiking richt zich echter
primair op de semantische en applicatielaag (het gebied binnen de
paarse gestreepte lijn in bovenstaande figuur).
Binnen de applicatielaag kunnen we dankzij het Common Groundmodel
preciezer zijn over onze scope: we beperken ons tot de lagen
‘databronnen’, ‘diensten’ en vanwege de relatie tussen
bijhoudingsdiensten en processen die deze gebruiken ook een deel van
‘procesinrichting’ (gele gestreepte lijn in bovenstaande figuur).
Dit betekent dat we bijvoorbeeld aanbevelingen doen voor:
welke concepten belangrijk zijn om de werking van het register
te begrijpen, welke betekenis we daaraan geven en hoe de samenhang
daartussen eruit ziet;
uit welke conceptuele ‘bouwblokken’ het register bestaat en
welke rol die spelen;
welke generieke (dus onafhankelijk van welke gegevens
een register omvat toepasbare) functionaliteit het register moet
leveren, en
hoe deze functionaliteit met behulp van API’s toegankelijk te
maken.
interpretatie of herziening van wet- en regelgeving;
verdeling van verantwoordelijkheden over organisaties (wel/niet
gescheiden organisaties voor bijhouding en levering, bijhouding en
levering wel/niet organisatorisch federatief of juist
centraal);
gebruik van specifieke technische producten (hoewel die bij onze
beproevingen
wel een belangrijke rol spelen);
bij concrete implementatie in één technisch product clusteren
van applicatiecomponenten (bijvoorbeeld vanwege van efficiëntie- of
performanceredenen), en
het ontwerpen van interfaces om registergegevens aan gebruikers
te presenteren.
De overheid verkaveld
Registers staan niet op zichzelf, maar ondersteunen de overheid
bij het invullen van haar administratieve behoeften. Die overheid
vormt geen homogeen, eenduidig handelend geheel, maar is een
pluriform en complex systeem.
Om de verhouding tussen register en overheid te kunnen duiden,
moeten we dat systeem - liefst op basis van objectieve criteria -
kunnen verkavelen naar logisch samenhangende delen, zonder daarbij
al te veel door bestaande indelingen geleid of gehinderd te
worden.
Ons streven is dat ieder van die delen groot genoeg is om
zelfstandig bestaansrecht te hebben, maar klein genoeg om een
ondubbelzinnig begrip van concepten, regels en processen te kunnen
waarborgen.
Domein
Vaak wordt het woord domein gebruikt om binnen het
totaal aan taken en verantwoordelijkheden van de overheid een
specifiek, samenhangend werkgebied aan te wijzen. Maar anders dan in
de wiskunde kent het begrip domein in organisatorische context
geen objectieve afbakeningscriteria. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de
definitie
die Eric Evans hanteert in de context van Domain driven design.
Evans beschouwt een domein als “een sfeer van kennis, invloed of
activiteit”. Hoewel deze definitie een zekere mate van interne
samenhang veronderstelt, sluit die niet uit dat binnen één
domein:
Een domein voldoet dus weliswaar aan de eis van zelfstandig
bestaansrecht, maar is niet restrictief genoeg om ondubbelzinnig
begrip van wat daarbinnen gebeurt te waarborgen.
Bounded context
Binnen een domein kunnen meerdere subdomeinen of taakgebieden
bestaan. Daarbij horen verantwoordelijkheden, die zijn toegekend aan
specifieke teams, afdelingen of bedrijfseenheden. Zij worden
ondersteund door eigen semantiek, processen en regels. Deze zaken
kunnen worden beschreven in een model: een systeem van
abstracties dat beschrijft hoe men vanuit een taakgebied naar de
wereld kijkt en reageert op veranderingen in de buitenwereld. Zo’n
model is beschreven in gemeenschappelijke taal die binnen
het hele taakgebied begrepen wordt.
Model en taal beschrijven dus een voor betrokkenen herkenbare
‘blauwdruk’ van het taakgebied, die (onder andere) de basis kan
vormen voor het ontwerp van een register. Een in gemeenschappelijke
taal ondubbelzinnig en samenhangend gemodelleerd taakgebied noemen
we een bounded context.
“A bounded context delimits the applicability of a particular
model so that team members have a clear and shared understanding of
what has to be consistent and how it relates to other contexts.
Within that context, work to keep the model logically unified, but
do not worry about applicability outside those bounds. In other
contexts, other models apply, with differences in terminology, in
concepts and rules, and in dialects of the ubiquitous language
[red. gemeenschappelijke taal]. By drawing an explicit
boundary, you can keep the model pure, and therefore potent, where
it is applicable. At the same time, you avoid confusion when
shifting your attention to other contexts. Integration across the
boundaries necessarily will involve some translation, which you can
analyze explicitly.”
Uit dit citaat blijkt dat de ambiguïteiten die we op domeinniveau
nog konden tegenkomen binnen een bounded context (idealiter)
verdwijnen. Hier geldt (zoveel mogelijk) dat:
dezelfde concepten eenduidig geïnterpreteerd worden (op basis
van gemeenschappelijke taal),
regels en gedrag consistent zijn, en
bedrijfsprocessen op elkaar aansluiten.
Contextovergangen
Bounded contexten bestaan zelden in volledige isolatie. Veel
vaker zijn ze in ketens of netwerken verbonden met andere bounded
contexten. Dit betekent dat een gevolg dat werd geproduceerd in de
ene context, in een volgende context wordt beschouwd als aanleiding
of trigger voor het produceren van een nieuw gevolg. Bij het
oversteken van de grens tussen de twee bounded contexten ontstaat
een contextovergang. Hierbij moeten taal en model van de ene context
omgezet worden naar taal en model van de andere.
Leveringen kennen daarom geen ‘vaste’ bounded context.
Deze kunnen zijn opgesteld in de taal van de context die het gevolg
produceerde waarover een levering gaat. In andere gevallen kan een
levering echter expliciet bedoeld zijn om een specifieke (afnemende)
bounded context te informeren. Op verzoek van deze contexten kunnen
vanuit de producerende context daarom leveringen worden geproduceerd
die dichter tegen de context van de ‘afnemende bounded context’
aanliggen.
Soms zal een producent van gevolgen ervoor kiezen om beide te
doen: naast een of meerdere leveringen die taal en model van de
‘eigen’ context volgen, worden dan ook leveringen gemaakt die
aansluiten bij de conventies van bounded contexten van afnemers.
Taak en gevolg hebben wel een vast bounded context en
conformeren zich altijd aan de taal en het model van de bounded
context waarbinnen ze worden uitgevoerd c.q. geproduceerd.
Bounded contexten bij
uitvoeringsondersteunende systemen
Uitvoeringscontext van
registers
Binnen iedere bounded context wordt gewerkt. Een deel van dat
werk slaat neer in onze registers. Om te begrijpen welk deel, moeten
we het karakter van dit werk op abstract niveau begrijpen. In dit
hoofdstuk beschrijven we daarom een conceptualisering van de
overheid als uitvoerder van taken die horen bij publieke
dienstverlening. Vertrekt hiervoor is de overheid als producent
van gevolgen en consument van leveringen.
De overheid als
producent van gevolgen
Het begrip gevolgwordt op Wikipedia
beschreven als “een gebeurtenis of omstandigheid die optreedt
als resultaat van een of meer oorzaken en bijdragende factoren en
omstandigheden”. Binnen de context van deze handreiking hanteren we
een wat preciezere betekenis, namelijk het gevolg als “duurzaam
betekenisvol resultaat van overheidshandelen”.
Om bovenstaande definitie te begrijpen, is het behulpzaam het
handelen van de overheid nader te bekijken. Dat handelen begint bij
een taak of bevoegdheid, die ontstaat vanwege
attributie (‘toewijzen’) door de wetgever. Artikel
5.8 van de Omgevingswet attribueert bijvoorbeeld aan het college
van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te beslissen of een
omgevingsvergunning al dan niet wordt verleend.
Een bevoegdheid houdt (mits aan een aantal basisvoorwaarden
voldaan is) een plicht tot handelen in; het college kan er
dus niet zelfstandig voor kiezen de ene aanvraag wel, en de andere
niet in behandeling te nemen. Dit betekent dat een aanvraag altijd
leidt tot één of meer handelingen, die weer één of meer resultaten
opleveren. In het geval van de omgevingsvergunning is aan te denken
aan handelingen als:
beoordelen op indieningsvereisten (juistheid en
compleetheid)
inwinnen advies bij ketenpartner
besluiten over verlenen vergunning
Daarbij horen resultaten als:
aanvraag is in behandeling genomen
advies ingewonnen
vergunning verleend (of niet verleend)
Niet al deze resultaten zijn echter een gevolg. We hebben immers
gesteld dat daarvoor een duurzaam betekenisvol karakter
nodig is. Het is niet eenvoudig deze karakteristiek in algemeenheid
waterdicht te definiëren. Informeel kunnen we stellen dat het
resultaat dat in meest directe zin de aanleiding voor of vraag
om het overheidshandelen beantwoordt als gevolg gezien moet
worden. Vaak (maar niet per definitie) is zo’n gevolg gelijk aan het
rechtsgevolg dat naar aanleiding van overheidshandelen
ontstaat.
In het geval van de omgevingsvergunningaanvraag beschouwen we op
basis hiervan het verlenen (of juist het niet verlenen) van
de gevraagde omgevingsvergunning als gevolg. Specifieke voorwaarden
waaronder de vergunning is verleend, zoals een maximaal bouwvolume
of vereiste goothoogte kunnen van zo’n gevolg onderdeel zijn.
Hoewel het voor de hand ligt een gevolg te beschouwen als
verandering in de bounded context
waarbinnen gehandeld wordt, maakt het bovenstaande duidelijk
dat hiervan niet altijd sprake hoeft te zijn. Het niet-verlenen van
de omgevingsvergunning betekent vanwege het gesloten karakter van
het omgevingsrecht dat iets wat vóór de aanvraag niet mocht, nu nog
steeds niet mag. Hier is dus sprake van een (beargumenteerde)
bevestiging van de bestaande situatie, en niet van een verandering.
Zo’n verandering zien we wel als de vergunning wordt verleend,
waarna iets wat eerst niet mocht, (nu) wel mag.
Productie van een gevolg
Voor een vollediger begrip van hoe een gevolg ontstaat, moeten we
het bijbehorende productieproces in meer detail bekijken. Binnen dat
proces kunnen we drie belangrijke concepten onderscheiden. Hierbij
geldt dat ieder volgend concept afhankelijk is van het
voorgaande:
Signaal: een
indicatie dat er ergens - in de buitenwereld, een andere of de eigen
overheidsorganisatie - iets is gebeurd wat aandacht verdient.
Taak: de
handelingen die naar aanleiding van een signaal moeten worden
uitgevoerd.
Gevolg: een
duurzaam betekenisvol resultaat van overheidshandelen.
De overheid als
consument van leveringen
Hierboven benoemden we het signaal als aanleiding voor de
productie van één of meerdere gevolgen. Maar we beschreven niet waar
zo’n signaal vandaan komt. Omdat binnen de overheid vaak in ketens
of netwerken wordt gewerkt, is de bron van zo’n signaal heel vaak
óók de overheid. Meer precies een andere bounded context die een
gevolg heeft geproduceerd en keten- of netwerkpartners daarover
informeert.
Dit betekent dat de productie van een gevolg in heel veel
gevallen niet het eindstation van overheidshandelen is. Vrijwel
altijd willen we daarover ook anderen informeren - bijvoorbeeld de
burger die een omgevingsvergunning heeft aangevraagd uit het
voorbeeld hierboven, maar ook bedrijven, partnerorganisaties of
collega-overheden. Deze doelgroepen hebben uiteenlopende
informatiebehoeften en verwerken informatie op verschillende
manieren.
Diversiteit in behoeften en verwerkingsvoorkeuren betekenen dat
een informering meer omvat dan alleen de betekenis die een
gevolg beschrijft. Die betekenis wordt in een bepaalde vorm
overgebracht - denk aan een per mail verzonden besluit in
Pdf-formaat, het resultaat van een specifieke query of een voor
geautomatiseerde verwerking geschikte notificatie. Dit betekent dat
we te maken hebben met een representatie van een
gevolg.
Bij die representaties horen verschillende verstrekkingspatronen.
Sommige leveringen worden pas verstrekt als daarom wordt gevraagd,
bijvoorbeeld na aanroep van een bevragingen-interface (API). Andere
leveringen worden juist proactief aangeboden, zoals een
systeemnotificatie die naar aanleiding van registratie van een nieuw
gevolg automatisch wordt verzonden.
Dat we met het doel anderen daarover te informeren op basis van
een gevolg verschillende representaties creëren, rechtvaardigt het
toevoegen van een vierde vierde begrip aan de drie concepten die we
hierboven opsomden:
Levering:
een voor consumptie aangeboden doel(groep)specifieke
communicatie-uiting over een gevolg.
Met de toevoeging van levering is onze conceptualisatie van
overheidshandelen bij publieke dienstverlening in de uitvoering
compleet. Hieronder is dit proces volledig geïllustreerd.
Productie van gevolgen en
leveringen
Voorwaarden voor
succesvol consumeren
Dat overheden elkaars leveringen gebruiken als grondstof voor het
produceren van nieuwe - eigen - gevolgen klinkt vanzelfsprekend,
maar brengt voor zo’n levering wel eisen met zich mee.
Een leveringsconsument heeft bijvoorbeeld duidelijkheid nodig
over de bedoeling en betekenis van zo’n levering, zodat bepaald kan
worden of de eigen taken of bevoegdheden het nodig maken naar
aanleiding daarvan te handelen. Dit betekent dat bij leveringen
verschillende aspecten van interpreteerbaarheid een rol kunnen
spelen: wat is de boodschap, op welk moment heeft die betekenis,
voor wie is die bedoeld, en in welke omstandigheden is die
toepasbaar? Dit noemen we de context van de levering.
Producenten van leveringen kunnen interpretatieverwarring over
leveringen deels voorkomen door die te laten aansluiten bij taal en
model van consumerende bounded
contexten waarbinnen gegevens ontvangen en verwerkt gaan
worden.
Onderdeel van deze contextinformatie is ook twijfel over de
juistheid van, of andere kwaliteitsvoorbehouden bij de inhoud van de
levering. Zulke twijfels kunnen zijn ontstaan na constatering van
(vermoedelijke) fouten door een leveringsconsument. Die moet
dergelijke fouten dan wel kunnen melden, wat vraagt om betwistbare
leveringen - of met andere woorden: leveringen waarop
teruggemeld kan worden, waarop onderzoek, en indien nodig,
correcties kunnen volgen.
Leveringen moeten daarnaast een onveranderlijk karakter hebben.
Het vandaag opvragen van geleverde gegevens moet ook morgen of over
een aantal jaar - zolang tenminste dezelfde vraag gesteld wordt -
hetzelfde resultaat opleveren. Dit noemen we de herhaalbare
vraag.
Toegangsbeperkingen zijn een laatste punt van aandacht.
Bijvoorbeeld vanwege het waarborgen van de privacy van betrokkenen
mogen sommige afnemers misschien niet kennisnemen van een volledig
gevolg - zoals een adoptie - terwijl onderdelen daarvan - zoals een
verandering van ouderschap - voor hen wel relevant zijn.
Bespiegeling over de modellering van
gevolgen
Bovenstaande roept vragen op over wat nu precies de omvang en
granulariteit van gevolgen bepaalt. Hierboven noemden we als
uitgangspunt het (handelings)resultaat dat in meest directe zin
de aanleiding voor of vraag om het overheidshandelen
beantwoordt. Dit impliceert dat alléén vanuit het proces dat ze
produceert wordt bepaald wat als gevolg wordt beschouwd. Als
vervolgens echter blijkt dat afnemers in heel veel gevallen slechts
recht hebben een deel van een gevolg in te zien - zoals in het
adoptievoorbeeld - is de vraag gerechtvaardigd of voor dat gevolg
niet een te grote omvang is gekozen. De metafoor van de januskop
helpt hier ook: het gedeelde brein, waarin de belangen van
gevolgenproducent en leveringsconsument samenkomen, moet zorgen voor
een logische begrenzing van het gevolg.
De ‘datalaag’ van de
overheid
Nu we een beeld hebben van hoe publieke dienstverlening binnen de
overheid werkt en beschikken over een bijbehorend begrippenkader,
kunnen we overstappen naar het onderwerp van deze handreiking:
registers. We beginnen die gezamenlijk te beschouwen, als ‘datalaag
van de overheid’.
Tekortkomingen van
bestaande registers
Bestaande overheidsregisters zijn op basis van ondertussen vaak
decennia-oude techniek en inzichten primair ontworpen om
administratieve processen efficiënter te maken. Deze inzichten en
techniek zijn verrassend veerkrachtig en toekomstigbestendig
gebleken. Maar dit vereiste ook dat bijvoorbeeld bijhouding en
levering in één model werden samengebracht.
Dit compromis blijkt terugblikkend ongemakkelijk. Registers
bevatten daardoor presentaties die niet helemaal voldoen
aan de behoeften van afnemers, maar tegelijkertijd vanuit
bijhoudingsperspectief ook niet de essentie - ofwel
gevolgen representeren.
Veel registers bedienen alle afnemers op basis van één generieke
gegevensset. Omdat in dat geval geen onderscheid wordt gemaakt naar
taken en bevoegdheden, krijgen sommige afnemers meer informatie dan
nodig - en soms zelfs toegestaan - is, terwijl anderen juist
gegevens missen.
In veel registers wordt bovendien contextinformatie niet
(volledig) vastgelegd. Informatie over de aanleiding van een
wijziging, de juridische grondslag of de handelingen die tot het
resultaat hebben geleid ontbreekt of is onvolledig. Voor een afnemer
is daardoor niet altijd duidelijk wat een gegeven precies betekent,
voor welke situatie het geldt en hoe het moet worden
geïnterpreteerd.
Historie wordt vaak slechts beperkt bijgehouden. Soms is alleen
de actuele toestand beschikbaar, in andere gevallen is die beperkt
tot eendimensionale wijzigingshistorie. En als wel volledige
historie in twee dimensies wordt bijhouden, zorgt het toestaan van
wijzigingen in de registratietijdlijn (bijvoorbeeld als gevolg van
rechtelijke uitspraken) dat het stellen van een gegarandeerd
herhaalbare vraag moeilijk niet mogelijk is.
Ook het betwisten en corrigeren van gegevens is vaak onvolledig
ondersteund. Wanneer een afnemer een mogelijke fout constateert,
bestaat er meestal geen gestandaardiseerde manier om die
constatering zichtbaar te maken voor andere afnemers.
Terugmeldprocessen bestaan meestal wel op organisatieniveau, maar de
koppeling tussen deze processen en de registers die betwiste
gegevens leveren zijn niet altijd goed ingericht.
Een combinatie van bovenstaande zorgt ervoor dat het vaak niet
mogelijk is mutaties met terugwerkende kracht uit te voeren. Dit
betekent dat fouten die het nodig maakt niet-actuele informatie te
corrigeren, niet kunnen worden hersteld. Dit betekent dat
betrokkenen blijvend met de gevolgen van foute gegevens
geconfronteerd worden.
Deze beperkingen waren lang onvermijdelijk en werden, afgezet
tegen geboekte efficiëntiewinst, als acceptabel beschouwd. Maar nu
overheidsorganisaties de ambitie hebben (zie hieronder) veel vaker
elkaars gegevens gebruiken als grondstof voor nieuwe besluiten en
gevolgen, en dat bovendien bij de bron te doen, wordt het
belangrijk dat leveringen ook context, betwistbaarheid,
reproduceerbaarheid en passende toegang ondersteunen.
Overheidsbrede
ontwikkelingen
De De
Architectuur Digitale Overheid 2030 onderkent de belangrijke rol
van data bij (proactieve) beleidsontwikkeling en dienstverlening van
de overheid. Om wildgroei en kwaliteitsverlies te voorkomen, willen
we die data liever vanuit een aangewezen bron hergebruiken dan
(steeds) opnieuw inwinnen.
Bovenstaande lukt alleen als partijen in de FDS-rol van data-aanbieder
hun data zodanig kunnen vastleggen en beschikbaar stellen dat die
een bruikbare basis vormt voor FDS-datadiensten.
Als het gaat om vernieuwing van het fundament van de
overheidsinformatievoorziening wordt ook verder in de toekomst
gekeken. De geautomatiseerd uitvoerbare regels van Regelrecht zouden
veel gegevensopslag overbodig kunnen maken. En Chronolexografie is een
manier om heel gestructureerd rechtstoestanden - oftewel “hetgeen
juridisch gezien het geval is (geweest)” - vast te leggen en te
reproduceren.
Helpende uitgangspunten
De hierboven beschreven aandachtspunten en ontwikkelingen
beschrijven een deel van de context waarbinnen deze handreiking tot
stand kwam. Onderstaande uitgangspunten helpen te begrijpen hoe we
ons tot die context verhouden en wat deze handreiking wel en niet
beoogt.
Gegevens betrekken ‘bij de
bron’
We kopiëren te veel gegevens zonder mechanismen om kwaliteit en
actualiteit van die kopieën te waarborgen. Deze handreiking is erop
gericht de noodzaak voor het maken van gegevenskopieën bij uitvoeren
van publieke dienstverleningsprocessen waar dat haalbaar is weg te
nemen.
Onderscheid
maken tussen proces en resultaat
We erkennen een verschil tussen formeel beschreven of informeel
uitgevoerde processen
en daaruit voortkomende resultaten. Een proces vertelt
hoe de overheid handelt. Als resultaat daarvan
ontstaat iets met betekenis of waarde. Deze handreiking gaat niet
over procesautomatisering, maar beschrijft op welke manier we de
resultaten daarvan zo goed mogelijk kunnen vastleggen en beschikbaar
stellen.
Onderscheid
maken tussen gevolg (betekenis) en levering (representatie)
Als het gaat om bovengenoemde resultaten, erkennen we het
verschil tussen betekenis van een resultaat - dat we gevolg
noemen, en communicatie daarover, waarvoor een representatie (levering)
nodig is. Het verenigen van deze concepten in één artefact -
bijvoorbeeld een akte - draagt bij aan ontstaan van ‘vormfouten’
(bijvoorbeeld het onjuist overnemen van een juiste
conclusie in een besluit of databasetabel) in de hand.
Hoewel sprake is van een afhankelijkheidsrelatie - de levering is
afgeleid van het gevolg - zijn ze vanuit verantwoordingsperspectief
van even groot belang. Het gevolg betekenis als ‘kern’ van wat
bedoeld werd, en de levering als hetgeen op basis waarvan anderen
(mogelijk) hebben gehandeld.
Bij deze conceptualisatie past de metafoor van de
januskop of het hoofd met twee gezichten. Janus deelt één
brein - dus een gedeelde, onderling verbonden hoeveelheid kennis,
met daarop twee perspectieven, ingegeven door twee paar zintuigen.
Het ene paar blikt terug op een proces dat een bepaald resultaat -
of gevolg opleverde, terwijl het andere paar vooruit kijkt,
richting door leveringen van die gevolgen in gang gezette
vervolghandelingen.
In de beeldhouwkunst en schilderkunst is een januskop een hoofd
met zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde een gezicht. Het
is genoemd naar de Romeinse god Janus, die in een van zijn
verschijningsvormen twee gezichten had.
Janus
was een Romeinse god die heerste over alle begin en overgang. Vóór
hij door Jupiter tot god met twee gezichten gemaakt werd, heerste
hij volgens legende als koning over Latium. Daar werd hij beschouwd
als stichter van het maatschappelijke leven en van de maatschappij,
die de mensen verloste uit hun barbaarse toestand en tot een
ordelijk leven bracht.
Onderscheid
maken tussen bijhouding en levering
Gelijktijdig erkennen van het verschil tussen, en gelijkwaardig
belang van gevolg en levering, vraagt in registerarchitectuur om
onderscheid tussen bijhouding en levering. Dit
maakt het mogelijk om op de specifieke informatiebehoefte van
bepaalde afnemers (of leveringsconsumenten) toegesneden
informatieproducten te leveren.
De wens onnodige kopieën te vermijden vraagt erom deze
perspectieven op één onderliggende werkelijkheid beide als
bron met zelfstandig bestaansrecht te beschouwen. Aandachtsgebieden voor betrouwbare
registers zijn dan ook voor beide perspectieven relevant. De
begrippen gevolgenjournaal
en leveringenstaat gebruiken
we om de gegevensverzamelingen die bij de perspectieven horen te
onderscheiden.
Aandachtsgebieden
Als we registers werkelijk capabel en betrouwbaar willen maken,
moeten we vanaf het eerste ontwerp met een aantal belangrijke
aandachtsgebieden rekening houden.
Deze aandachtsgebieden worden hieronder in algemene zin
beschreven. In de hoofdstukken hierna beschrijven we hoe ze
specifiek doorwerken in het gevolgenjournaal en de leveringenstaat.
Terugmelden
Terugmelden is het proces waarbij een afnemer van
gegevens aan de bronhouder meldt dat hij twijfelt aan de juistheid
van geleverde gegevens.
De term is afkomstig uit het stelsel
van basisregistraties. Binnen dat stelsel zijn
overheidsorganisaties verplicht twijfel over de juistheid van
gegevens aan de bronhouder te melden.
Functioneel is het principe echter breder toepasbaar: overal waar
gegevens worden gedeeld tussen een beheerder en afnemers, kan
terugmelden als mechanisme dienen om de kwaliteit van die gegevens
gezamenlijk te bewaken.
Onderzoeken
Na een terugmelding moet de bronhouder beoordelen of de gemelde
twijfel gegrond is. Daartoe onderzoekt hij of de
betreffende projectie inderdaad onjuist is, en zo ja, of die
onjuistheid te herleiden is naar een of meer onjuist geregistreerde
gevolgen - en mogelijk andere daarvan weer afgeleide projecties.
Dit onderzoek vindt plaats buiten het register, bijvoorbeeld in
een zaaksysteem of ander procesondersteunend systeem. Gedurende het
onderzoek kunnen in het register wel indicaties
van twijfel worden aangebracht, zodat afnemers weten dat over de
juistheid van bepaalde projecties of gevolgen onzekerheid
bestaat.
Corrigeren
Wanneer het onderzoek onjuistheden aan het licht brengt,
corrigeert de bronhouder de betrokken gegevens.
Verwerkingsverantwoording
Een betrouwbaar register legt niet alleen vast wat er is
gebeurd, maar ook waarom en hoe dat is gebeurd.
Deze contextinformatie hoort bij het aspect dat we
verwerkingsverantwoording noemen. Verwerkingsverantwoording
stelt afnemers in staat de betekenis en herkomst van een gegeven te
beoordelen, en maakt het mogelijk fouten te herleiden en te
herstellen. Verwerkingsverantwoording valt in drie onderdelen
uiteen:
aanleiding
legitimering
verklaring
Aanleiding
De aanleiding beschrijft wat de productie van een gevolg
in gang heeft gezet. In veel gevallen is dat een eerder in de keten
geproduceerd gevolg. Als zo’n voorliggend gevolg ontbreekt, is de
aanleiding gelegen buiten de overheidscontext, bijvoorbeeld in een
handeling of melding van een burger of bedrijf.
Legitimering
Met legitimering bedoelen we het wettelijk of
beleidskader dat diende als grondslag voor de productie van een
gegeven.
Verklaring
Met de verklaring wordt duidelijk gemaakt op welke manier het legitimerende kader in een specifieke
situatie is gehanteerd. Denk daarbij aan informatie over toegepaste
procedures, versieaanduidingen van gebruikte algoritmes of de
motivatie van een ambtenaar die op basis van discretionaire
bevoegdheid van een norm afweek.
Geldigheid
Geldigheid beschrijft wanneer en op wiens gezag iets
‘gold’ of beschouwd werd als ‘juist’ of ‘waar’.
Geldigheid wordt bepaald door het administratieve domein dat
gegevens registreert. In tegenstelling tot de registratiecontext is geldigheid een
onveranderlijk of ‘intrinsiek’ onderdeel van hetgeen geregistreerde
gegevens beschrijven. Gegevens die in meerdere registers
gedupliceerd zijn, hebben als logisch gevolg hiervan in ieder van
die registers dezelfde geldigheid.
Geldigheid als administratief construct
Hoewel het woord ‘intrinsiek’ anders kan doen lijken, is
geldigheidstijd een administratief construct. Niemand zal kersverse
ouders immers een kaartje sturen om te ze te feliciteren met de
nieuwverworven geldigheid van hun pasgeboren baby. In de ‘echte’
wereld, waar de dingen die we met behulp van gegevens beschrijven
daadwerkelijk bestaan, komen we dus hooguit gebeurtenissen tegen die
aanleiding geven om gegevens in administratieve context als geldig
te gaan beschouwen. In het geval van een persoon kan dat een
geboorte zijn, maar bijvoorbeeld ook een immigratie als iemand pas
op latere leeftijd in beeld komt van ‘onze’ administratieve
werkelijkheid. Overlijden zou aan de andere kant een reden kunnen
zijn om de geldigheid van een persoon te beëindigen.
Registratiecontext
Registratiecontext beschrijft wanneer en door wie -
welke medewerker of afdeling - iets is vastgelegd.
In tegenstelling tot geldigheid is de
registratiecontext niet onverbrekelijk gebonden aan een set
gegevens. De registratiecontext wordt ten opzichte van daarvan
daarom ook wel als ‘extrinsiek’ beschouwd.
De registratiecontext wordt bepaald en vastgelegd door het
systeem waarin gegevens worden bijgehouden. Dit kan een IT-systeem
zijn, maar ook het sociotechnische
systeem waarin mensen en IT-systemen samenwerken om taken uit te
voeren. Dit betekent dat gegevens die in meerdere systemen zijn
vastgelegd, in ieder van die systemen verschillende
registratiecontexten hebben.
Bespiegeling over tijd
De aandachtsgebieden geldigheid en registratiecontext zijn sterk
verbonden met het concept tijd. Over dit onderwerp in
relatie tot registers zijn boekenkasten vol geschreven. Daarin
worden eindeloos veel verschillende ‘tijdsoorten’ of ‘tijdsassen’
genoemd. Binnen deze handreiking maken we primair onderscheid op
basis van wie of wat de waarde van een tijdstip of periode
bepaalt.
Bij domeintijd wordt de temporele waarde bepaald
op basis van de werkelijkheid, de regelgeving of de bestuurlijke
context waarbinnen een registratie werkt. Geldigheidstijd is het
bekendste voorbeeld, maar ook ‘event occurrence time’ - het tijdstip
waarop een gebeurtenis plaatsvond - valt hieronder, evenals
juridische inwerkingtredingsdata of beslistermijnen. Domeintijd is
intrinsiek, dus onlosmakelijk onderdeel van en verbonden met de
gebeurtenis of toestand die een registratie beschrijft.
Bij systeemtijd wordt de waarde bepaald door het
IT- of sociotechnische systeem dat gegevens verwerkt en opslaat. De
registratietijd is hiervan het enige voorbeeld: het systeem legt
vast wanneer een gegeven beschikbaar kwam, ongeacht wat er
inhoudelijk is gebeurd. Systeemtijd is daarmee per definitie
extrinsiek; het zegt iets over de verwerking van een registratie
binnen een systeem, maar niets inhoudelijks over de gebeurtenis of
toestand die een registratie beschrijft.
Zekerheid
Met zekerheid bedoelen we de mate waarin een registratie
als feitelijk juist wordt beschouwd. Zekerheid is om twee redenen
geen eenvoudig begrip. Ten eerste is het gradueel: een registratie
kan geverifieerd en onbetwist zijn, maar ook onbevestigd, in
onderzoek, of actief betwist. Ten tweede is zekerheid niet altijd
gedeeld: verschillende partijen kunnen op hetzelfde moment een
verschillend oordeel hebben over de juistheid van dezelfde
registratie.
(On)zekerheid werkt diep door in ketens of netwerken. Als een
bedrijfsregel bij het afleiden van een resultaat steunt op een
gegeven waaraan getwijfeld is, is immers ook dat resultaat onzeker.
Als datzelfde resultaat door andere partijen in de keten gebruikt
weer wordt gebruikt als basis voor eigen handelingen, kunnen weer
nieuwe op onjuiste gronden gefundeerde resultaten ontstaan,
enzovoorts.
Onttrekking
Onttrekking is het logisch ongedaan maken van een
registratie in een overheidsregister, zonder dat de bijbehorende
gegevens fysiek worden verwijderd.
In een betrouwbaar register verwijderen we geen gegevens die we
mogelijk ooit hebben geleverd. Fysiek verwijderen levert op
conceptueel niveau geschiedvervalsing op en breekt op
functioneel niveau de garantie op de herhaalbare vraag. Om
historische vastleggingen gegarandeerd te behouden, hanteren we voor
het gevolgenjournaal en de leveringenstaat een append
only-patroon: gegevens worden alleen toegevoegd, nooit
overschreven of verwijderd.
Aanleidingen voor
onttrekking
Om de reden voor het onttrekken van gegevens goed te begrijpen,
is het eerst nodig om onderscheid aan te brengen tussen twee
verschillende vormen van juistheid:
Feitelijke juistheid verwijst naar de mate
waarin geregistreerde gegevens een accurate weergave vormen van de
fysieke, juridische of administratieve werkelijkheid die ze
representeren.
Systeemjuistheid verwijst naar de mate waarin
het register gegevens verwerkt op de manier waarop wie die
verwerking heeft gespecificeerd of bedoeld had, ongeacht of die
gegevens zelf feitelijk juist waren.
Vervolgens kunnen we (tenminste) de volgende aanleidingen
onderscheiden:
Feitelijk onjuiste gegevens aangeboden. Door
verkeerde informatie, een vergissing of een technisch mankement zijn
gegevens aan het register aangeboden die feitelijk onjuist zijn, op
basis waarvan feitelijk onjuiste gevolgen en mogelijk feitelijk
onjuiste projecties zijn geproduceerd.
Onjuiste verwerking geconstateerd. Door een
gebrek aan systeemjuistheid zijn feitelijk juiste gegevens niet op
de bedoelde manier verwerkt, waardoor feitelijk onjuiste gevolgen
en/of projecties zijn geproduceerd.
Verzoek tot vergeten. Een burger heeft op basis
van de Algemene verordening gegevensbescherming verzocht een
feitelijk juiste registratie te laten verwijderen.
Bewaartermijn verlopen. De archiefwettelijke
bewaartermijn voor een registratie is verstreken.
Nieuw begrip van feitelijke juistheid. Naar
aanleiding van juridische of beleidsmatige heroverweging kunnen
gegevens die eerder als feitelijk juist werden beschouwd niet langer
als zodanig worden aangemerkt.
Ethische of maatschappelijke overweging. Het
behouden van een feitelijk juiste registratie wordt op basis van
ethische of maatschappelijke overwegingen als ongewenst
beschouwd.
Gevolgen van onttrekking
Onttrokken gevolgen zijn niet langer beschikbaar voor ‘normaal’
gebruik. Onttrokken gevolgen worden niet meer getoond in
standaardprocessen, rapportages of openbare inzage en zijn niet
langer beschikbaar voor normaal gebruik door ambtenaren, burgers of
geautomatiseerde systemen.
Bespiegeling: is onttrekking een gevolg?
De vraag is of onttrekking zelf als gevolg moet worden beschouwd.
Het alternatief is onttrekking te behandelen als een abstract
supertype - een op technisch niveau geïmplementeerd begrip dat
in de administratieve praktijk verschijnt in herkenbaarder vormen
zoals correctie, herstel, herroeping of
vergeten in de context van het AVG-recht
op vergetelheid.
Gevolgenjournaal
Betekenis en doel
Het gevolgenjournaal is een volledige en onveranderlijke
vastlegging van alle gevolgen die binnen een register werden
geproduceerd, in de volgorde waarin die gevolgen ontstonden. De naam
is ontleend aan het scheepsjournaal,
waarin door nauwkeurige waarnemers volledig, chronologisch, zonder
weglating én zonder oordeel wordt genoteerd wat is waargenomen.
Het gevolgenjournaal richt zich uitsluitend op het nauwkeurig
vastleggen van wat er is gebeurd: observaties, besluiten en
registraties. Afnemers en hun informatiebehoeften spelen daarin geen
rol. Het principe is: negeer de afnemer. Dit uitgangspunt geldt zo
sterk mogelijk, maar de gevolgen vormen wel de grondstof op basis
waarvan de informatiebehoefte van afnemers - voor zover realistisch
en redelijk - moet worden ingevuld.
Gevolgen leggen zonder oordeel vast wat er is waargenomen of
besloten. Ze drukken daarmee de intentie van een observatie of
besluit uit – niet het effect ervan op de toestand van het register.
Gevolgen zijn temporeel atomair: ze gebeuren op één moment, en
hebben (dus) geen duur. Geboortes, verhuizingen of huwelijken
markeren geen toestand, maar beschrijven de verandering die van de
ene toestand leidt naar de volgende. Gevolgen zijn daarmee een
voorbeeld van wat transitional
modeling of overgangsmodellering wordt genoemd.
Vraagstuk: gevolgen feitelijk of administratief
formuleren?
Gevolgen kunnen we op twee manieren formuleren:
Feitelijk, beschouwd vanuit de werkelijkheid
waarop dat handelen betrekking heeft - ongeacht de wijze waarop het
administratief is verwerkt of vastgelegd. Bijvoorbeeld
"persoon p1 geboren".
Administratief, beschouwd vanuit de
administratieve context waarbinnen dat handelen heeft plaatsgevonden
- dat wil zeggen: de registratie, vastlegging of formalisering van
een feitelijk gevolg binnen een specifiek overheidsproces.
Bijvoorbeeld: "geboorte persoon p1 geregistreerd".
Welke van de twee we kiezen heeft effect op de aandachtsgebieden
geldigheid en zekerheid. Zie de toelichting onder de
corresponderende koppen.
Aandachtsgebieden
in het gevolgenjournaal
De eerder genoemde aandachtsgebieden hebben impact dan
wel invulling in het gevolgenjournaal:
Terugmelden
Terugmelden gebeurt door afnemers op een projectie die onderdeel
is van de leveringenstaat, en dus
níet op een gevolg in het gevolgenjournaal.
Onderzoeken
Onderzoek(en) naar aanleiding van een terugmelding gebeuren
buiten het register. Zo’n onderzoek zelf leidt dus niet tot nieuwe
gevolgen in het gevolgenjournaal. Wel kan uit onderzoek blijken dat
bij vermoedelijk onjuiste gevolgen binnen het register indicaties van verminderde zekerheid over de
juistheid moeten worden aangebracht.
Deze indicaties kunnen in eerste instantie aangebracht worden op
gegevens in de leveringenstaat (waar een terugmelding op gedaan is),
maar kunnen (bijvoorbeeld lopende het onderzoek) verplaatst worden
naar indicaties op gevolgen (die dientengevolge alle
leveringenstaten raken waar het geïndiceerde gegeven gebruikt
wordt). Een dergelijke indicatie kan ook als basis dienen van
correctie.
Corrigeren
Het gevolgenjournaal is append only: gevolgen worden
alleen toegevoegd, nooit overschreven of verwijderd. Correctie
betekent dus altijd het toevoegen van een nieuw gevolg dat een of
meerdere eerdere gevolgen ongedaan maakt of herziet.
Bij of na correctie zijn er twee fundamentele vragen aan de
orde:
Hoe had het moeten zijn; of: Hoe had mijn gevolgenjournaal
moeten zijn?
Wat is er (precies) gecorrigeerd en waarom?
Om beide vragen te kunnen beantwoorden dient een correctiegevolg
idealiter dan ook 3 dingen te bevatten:
Welke gevolgen worden gecorrigeerd?
Hoe had de gevolgentijdlijn eruit moeten zien voor deze
periode.
De exacte hersteloperatie en context
Bij voorkeur gebeurt dat in de taal van de bounded context; een
gevolg als "emigratie p1 herroepen" maakt de bedoeling
direct duidelijk. Deze aanpak heeft echter een praktische beperking:
het is niet goed mogelijk om vooraf alle situaties te voorzien
waarin correctie nodig kan zijn. Bovendien vereist ieder
domeinspecifiek correctiegevolg dat de bijbehorende bedrijfsregels
worden bepaald en geconfigureerd, wat bij een laag correctievolume
onevenredig veel ontwerplast met zich meebrengt.
Daarom kan het soms nodig zijn generieke correctiegevolgen te
introduceren die domeingevolgen ‘passeren’ en direct inwerken op de
begrippen uit de leveringenstand, zoals bijvoorbeeld
"verblijfsadres p1 gecorrigeerd". Belangrijk is dat
zulke correcties altijd in het gevolgenjournaal worden opgenomen en
transactioneel worden afgehandeld, zodat het journaal consistent
blijft.
In het uitzonderlijke geval dat niet meer te reconstrueren is hoe
een bepaalde toestand is ontstaan, maar wel bekend is hoe die eruit
zou moeten zien, kan het nodig zijn op basis daarvan een nieuwe
historie op te bouwen. Dit soort ingrijpende correcties moet zoveel
mogelijk beperkt blijven omdat daarop nauwelijks (al dan niet
geautomatiseerde) integriteitscontrole mogelijk is en op basis
daarvan moeilijk geleverd kan worden.
Verwerkingsverantwoording
Op basis van het onderscheid
tussen proces en resultaat willen we het register niet de wereld
van procesuitvoering in trekken. Maar we willen afnemers wel in
staat stellen door het register geleverde gegevens op onder andere
betekenis, kwaliteit en juistheid te beoordelen.
Verwerkingsverantwoording is daardoor binnen het gevolgenjournaal
een belangrijk aandachtsgebied.
Aanleiding
De aanleiding beschrijft wat de productie van een gevolg in gang
heeft gezet. In veel gevallen is dat een eerder in de keten
geproduceerd gevolg. Of meer precies: een levering, afkomstig uit
een voorliggende bounded context, die als signaal is ontvangen en
binnen de ‘eigen’ bounded context aanleiding gaf tot handelen. Als
zo’n voorliggend gevolg ontbreekt, is de aanleiding gelegen buiten
de overheidscontext, bijvoorbeeld in een handeling of melding van
een burger of bedrijf.
Vragen bij het vastleggen van aanleiding in het
gevolgenjournaal
Wat slaan we op? Tenminste een verwijzing naar
het voorliggende gevolg of de externe aanleiding, inclusief de
partij die verantwoordelijk was voor productie van die aanleiding.
Omdat hierbij grenzen tussen bounded contexten worden overgestoken,
moeten contextoverstijgende afspraken worden gemaakt over vorm,
inhoud en uitwisseling van deze verwijzing.
Wat doen we met bijlagen? Aanleidingen kunnen
gepaard gaan met ondersteunende documenten, zoals een
aanvraagformulier of een bijgevoegd bewijs. Deze bijlagen zijn niet
altijd op een volledig gevolg van toepassing. Een te complexe
koppelstructuur tussen bijlagen en gegevens is moeilijk te begrijpen
en te onderhouden. De vraag is of zulke complexiteit altijd
noodzakelijk is, of dat een eenvoudiger benadering (aparte
documentopslag waarnaar voor aanleiding verwezen kan worden)
volstaat.
Legitimering
Voor ieder gevolg wordt een zo gedetailleerd mogelijke verwijzing
naar het wettelijk of beleidskader dat diende als grondslag voor de
productie daarvan vastgelegd.
Verklaring
Voor ieder gevolg wordt vastgelegd hoe het legitimerende kader in de betreffende
situatie is toegepast. Deze verklaring omvat ten minste:
een verwijzing naar de gevolgde procedures of - bij
geautomatiseerde verwerking - de versie van het gebruikte
algoritme;
de ambtenaar of organisatieafdeling die verantwoordelijk was
voor de productie van het gevolg, en
indien van toepassing: de motivatie waarom op basis van
discretionaire bevoegdheid van een norm is afgeweken.
Registratiecontext
Voor ieder gevolg wordt het moment van vastlegging in het
gevolgenjournaal vastgelegd.
Geldigheid
Als we kijken naar temporele concepten die bij gegevensopslag een
rol spelen, kunnen we in het gevolg een specifieke vorm van een event
herkennen. Zo’n event wordt beschreven als een ogenblikkelijk feit,
ofwel iets dat in één moment plaatsvindt.
Dit temporeel atomaire karakter maakt dat het gevolg geen
(geldigheids)duur heeft. In plaats daarvan kent het één door het
domein bepaald moment, dat samenvalt met het moment waarop het
gevolg in de echte wereld een verandering tot stand bracht. Dit
moment noemen we "gebeurd op".
In veel gevallen (maar niet alle, zie toelichting hieronder) kan
van het gebeurd op-moment bij een gevolg een
geldig vanaf-moment in een projectie worden afgeleid.
Ervan uitgaande dat we het moment van geboorte beschouwen als
startpunt voor een geldige inschrijving, kan bijvoorbeeld van het
gevolg persoon p1 geboren | gebeurd op 18-07-1985 de
volgende projectie worden afgeleid:
persoon
geldig vanaf
p1
18-07-1985
Impact van feitelijk of administratief formuleren op
aandachtsgebied geldigheid
Bij feitelijke formulering is het ‘gebeurd op’-moment
een logisch startpunt voor geldigheidsperiode(s) in leveringen,
terwijl
bij administratieve forumlering weliswaar sprake blijft
van een domeindatum, maar het ‘gebeurd op’-moment meer neigt naar
het karakter van een ‘geregistreerd op’-moment.
Zekerheid
Of bij een gevolg twijfel over de feitelijke juistheid mogelijk
of zinvol is, hangt af van de wijze waarop het gevolg is
geformuleerd (zie toelichting hieronder). Voor zover dit wel
mogelijk en zinvol is, maakt het register het mogelijk een
zekerheidsindicatie vast te leggen, en biedt het gebruikers de
mogelijkheid om hierop te reageren: door een regel situationeel te
overrulen, door de verwerkingsengine onzekerheid te laten
signaleren, of door bedrijfsregels expliciet te laten omgaan met
onzekerheid.
Impact van feitelijk of administratief formuleren op
aandachtsgebied zekerheid
Bij feitelijke formulering beschrijft het gevolg iets
wat buiten de context van het register is gebeurd. Deze gebeurtenis
kan feitelijk waar, maar ook feitelijk onwaar blijken te zijn. Als
we gevolgen feitelijk modelleren, lijkt het dus nodig om aan de
juistheid van een gevolg te kunnen twijfelen door daaraan
zekerheidskenmerken te verbinden, terwijl
bij administratieve formulering het gevolg gaat over
iets dat door registratie van gevolg zelf feitelijk waar
wordt - de geboorteregistratie ontstaat immers door registratie van
het bijbehorende gevolg. In dit geval ontstaat de feitelijke
juistheid door registratie van het gevolg zelf, en lijkt het niet
zinvol om aan de juistheid van een gevolg te kunnen twijfelen.
Onttrekking
Iedere onttrekking begint in een gevolg, tenzij de fout
uitsluitend zat in de wijze waarop leveringen uit het
gevolgenjournaal werden afgeleid (zie leveringenstaat).
Los van de mate waarin een onttrekkingsgevolg aansluit bij de
taal van de bounded context (zie corrigeren) beschrijft zo’n gevolg altijd de
onttrekkingscontext. Die maakt achteraf reconstrueerbaar waarom en
wanneer een gevolg niet langer beschikbaar is en omvat
tenminste:
een verwijzing naar het onjuiste, te onttrekken gevolg;
het tijdstip waarop tot onttrekking is besloten (‘gebeurd
op’);
de reden voor de onttrekking, en
een verwijzing naar het onderzoeksdossier waarin meer informatie
over de aanleiding voor onttrekking terug te vinden is.
Als een onttrekking betrekking heeft op identiteitdragende
kenmerken van een gevolg of levering, wordt het volledige gevolg of
de volledige levering onttrokken. Bij niet-identiteitshoudende
kenmerken kan onttrekking beperkt blijven tot die kenmerken, mits de
implementatie dit technisch toelaat.
Ontwerpafwegingen
voor het gevolgenjournaal
In het ontwerpen van gevolgen in het gevolgenjournaal zijn een
aantal afwegingen van belang. Welke het zwaarst wegen, verschilt per
domein. De onderstaande afwegingen bieden houvast bij het maken van
weloverwogen keuzes.
Intentie: Gevolgen dienen de intentie van de
observatie, het besluit of de vastlegging uit te drukken
Negeer de afnemer als het gaat om vorm en
omvang: Het domein bepaalt onafhankelijk van
afnemerbehoeften de vorm en omvang van gevolgen die binnen de
bounded context worden geproduceerd
Respecteer de afnemer als het gaat om inhoud:
Alle gevolgen die een bounded context produceert samen, moeten
voldoende informatie leveren om (redelijke en realistische)
afnemersbehoefte aan informatie vanuit de bounded context in te
kunnen vullen
Herkenbaar voor de business: Gevolgen worden
gedefinieerd op basis van functionele (business)behoefte. Dit
betekent dat ieder gevolg in het gevolgenjournaal een relatie heeft
met een besluit of andere betekenisvolle gebeurtenis uit de
business
Hergebruik: Gevolgen kunnen als bouwsteen
worden hergebruikt binnen omvangrijkere gevolgen, zonder dat ze
daarmee hun zelfstandig bestaansrecht verliezen
Vraagstuk: gevolgen feitelijk of administratief
formuleren?
Om de intentie zo scherp mogelijk uit te drukken, stellen we de
volgende richting voor:
Administratief voor fysieke waarnemingen:
Gevolgen van fysieke waarnemingen of fysieke gebeurtenissen worden
vanuit een register als administratieve gevolgen verwoord. Een
gevolg "geboorte persoon p1 geregistreerd" prevaleren
we boven "persoon p1 geboren". De persoon is namelijk
ook geboren als dat niet in de registratie als gevolg is
vastgelegd
Feitelijk voor registratieve beslissingen:
Gevolgen die inherent, vaak juridische, consequenties hebben doordát
deze zijn vastgelegd, kunnen als feitelijk worden uitgedrukt. Met
"parkeervergunning pg1 vastgesteld" vastgelegd gevolg,
ís deze parkeervergunning vastgesteld / besloten. Uiteraard
kan een "bewijs voor parkeervergunning uitgegeven"
volgen als een fysiek bewijs is uitgegeven
Feitelijk versus
administratief
Bij het modelleren van gevolgen kunnen onder andere de volgende
constructen worden ingezet:
Naamgeving van de gevolgen drukt zoveel
mogelijk de intentie en context uit, bijvoorbeeld in
GeboorteGeregistreerd,
NaamGewijzigdNaarAanleidingVanAdoptie,
WozObjectOntstaatNaarAanleidingVanPerceelsplitsing
Typering als attribuut van een gevolg kan
additioneel gebruikt worden, bijvoorbeeld door een enumeratie in het
veld typeGevolg op te nemen
Hergebruik/decompositie/interfacing: een
gevolg kan kenbaar maken dat het een bepaald type wijziging omvat,
zodat afnemers daarop kunnen aansluiten zonder de specifieke
aanleiding te hoeven kennen. Een verhuizing en een adoptie leiden
allebei tot een adreswijziging - door beide gevolgen een
gemeenschappelijk “adreswijziging”-contract te laten vervullen,
kunnen afnemers die alleen de adreswijziging nodig hebben op beide
reageren.
In object-georiënteerde talen wordt dit gerealiseerd via
interface of abstract class
(inheritance en composition); in functionele talen
via een trait. Het concept is ook herkenbaar in
UML.
Een adoptie brengt doorgaans drie wijzigingen tegelijk met zich
mee: een naamswijziging, een adreswijziging en een wijziging van
gezag. Elk van die drie kan echter ook zelfstandig voorkomen – door
een eigen naamskeuze, een verhuizing, of een rechterlijke uitspraak
die niets met adoptie te maken heeft.
Door gevolgen als
AdoptieGeregistreerdNaRechterlijkeBeschikking en
VerhuizingGeregistreerd allebei de interface
AdresGewijzigd te laten implementeren, kunnen afnemers
die alleen de adreswijziging nodig hebben op beide reageren – zonder
de onderliggende aanleiding te hoeven kennen. In het BRP-stelsel
speelt ook een autorisatiereden mee: afnemers zonder
adoptie-autorisatie mogen PersoonGeadopteerd niet
ontvangen, maar wel AdresGewijzigd.
De leveringenstaat is de volledige verzameling van projecties die
op basis van het gevolgenjournaal
afleidbaar zijn, en waaruit concrete leveringen aan afnemers worden
gegenereerd. De naam is ontleend aan gebruik van het woord staat in
samenstellingen als ‘staat van dienst’ of ‘urenstaat’, waarbinnen
het zoiets betekent als “geformaliseerd, geordend overzicht”.
Waar het gevolgenjournaal nauwkeurig documenteert wat er is
gebeurd, beantwoordt de leveringenstaat primair vragen als “leeft
persoon p1 nog?”, “wat is zijn burgerlijke staat?”, en “heeft hij
gezag over p3?” Zulke vragen veronderstellen een stand (ook wel
toestand of state), ofwel een beeld van de wereld dat
gedurende een bepaalde periode geldig is.
Niet alle projecties beschrijven een stand. Een
notificatiebericht is daarvan een voorbeeld: het informeert een
afnemer over een verandering die door registratie van een gevolg is
veroorzaakt. Net als het onderliggende gevolg is zo’n bericht
temporeel atomair - het beschrijft wat er is gebeurd, niet welke
toestand na die gebeurtenis geldig werd.
Iedere concrete levering is een op de informatiebehoefte van een
specifieke afnemer of doelgroep toegesneden uitsnede uit de
leveringenstaat. Daarbij kan niet alleen de actuele state
worden geleverd, maar op basis van selecties over meerdere
tijdsassen eventueel ook historische toestanden.
Hoe de leveringenstaat technisch wordt bijgehouden is een
implementatiekeuze: daarbinnen beschikbare projecties kunnen vooraf
worden berekend en opgeslagen, of op het moment van bevraging worden
gegenereerd op basis van de gevraagde parameters.
De herhaalbare vraag
Zoals eerder in dit document genoemd is het een belangrijke eis
van een betrouwbaar register om, zoveel als mogelijk, de herhaalbare
vraag te kunnen beantwoorden. Een afnemer moet, nadat deze op
tijdstip T1 een gegeven heeft opgevraagd, op tijdstip T2 nog steeds
de vraag kunnen stellen wat dit gegeven op tijdstip T1 was. Een
betrouwbaar register dient dit te kunnen nadat:
Er nieuwe gevolgen zijn toegevoegd aan de registratie.
Een gegeven hersteld is doordat het geldigheidstijdvak is
veranderd vanwege een foutieve registratie.
Een softwarebug in de opvraging is hersteld waardoor de initiële
opvraging fout was.
Criterium 1 en 2 introduceren bitemporaliteit in de registratie.
Criterium 3 vereist dat er mechanismen zijn die het mogelijk maken
softwareaanpassingen te doen met behoud van de eerdere
gegevensrepresentatie.
Inherente
beperkingen aan de herhaalbare vraag
Elke registratie loopt tegen inherente beperkingen aan. Zowel
geldigheids- als gevolgtijdstippen hebben te maken met eventual
consistency: er zit altijd tijd tussen het begin van een registratie
en het einde daarvan, en er zit altijd tijd tussen een opvraging en
de zichtbaarheid van deze gegevens voor de afnemer. Dit betekent dat
een afnemer altijd in potentie naar verouderde informatie kijkt.
Daarnaast heeft een registratie meestal niet de volledige
controle over de aflevering van informatie. Entiteiten verlaten op
een bepaald moment de registratie om elders te worden gepresenteerd
— in een browser, een API-response, of een ander systeem dat de
registratie niet kent.
Herhaalbaarheid van opvraging is dus hoogstens te behalen tot op
het niveau van de gegevensrepresentatie net voordat deze het systeem
verlaat.
Gevolgtijdstip — wanneer het gevolg in de
registratie is vastgelegd
Projectietijdstip — wanneer het snapshot
zichtbaar is geworden in de projectie
Door deze drie assen te combineren in een query is tijdreizen
mogelijk: “hoe zag dit gegeven eruit op tijdstip X, zoals vastgelegd
op tijdstip Y, zichtbaar in de projectie op tijdstip Z?”
Aandachtsgebieden
in de leveringenstaat
Terugmelden
Terugmeldingen hebben altijd betrekking op een projectie - een
concrete uitsnede uit de leveringenstaat zoals die aan een afnemer
is geleverd. De afnemer meldt dat hij twijfelt aan de juistheid van
(een deel van) die projectie.
Omdat projecties over uiteenlopende samenstellingen van gegevens
kunnen gaan en de aard van geconstateerde onjuistheden sterk kan
verschillen, kan een terugmelding vele vormen aannemen. Daarbij past
geen beperkend ‘terugmeldformulier’, maar (vorm)vrijheid en veel
ruimte voor toelichting in vrije tekst.
Als een bronhouder regelmatig terugmeldingen van dezelfde
strekking ontvangt, kan hij overwegen daarvoor een specifieke, meer
gestructureerde interface aan te bieden. Dit verlaagt de drempel
voor de terugmelder en maakt de verwerking aan de kant van de
bronhouder efficiënter.
Een terugmelding bevat in ieder geval:
Verwijzing naar de betreffende gegevens. De terugmelder geeft
aan op welke projectie of welk onderdeel daarvan de melding
betrekking heeft. Hoe die verwijzing er precies uitziet, is
afhankelijk van hoe projecties identificeerbaar zijn gemaakt -
bijvoorbeeld via een uniek kenmerk van de levering of een combinatie
van subject en tijdstip
Toelichting. De terugmelder beschrijft in vrije tekst wat hij
als onjuist beschouwt en waarom. Dit biedt de bronhouder de context
die nodig is om het onderzoek gericht te kunnen starten.
Contactgegevens van de terugmelder. Zodat de bronhouder, indien
het onderzoek daarom vraagt, contact kan opnemen voor nadere
toelichting of terugkoppeling.
Open vragen
Terugmelden is binnen het stelsel voor basisregistraties een
voorwaarde voor afwijken van gegevens in de bron. Zouden
terugmeldende afnemers dan voor eigen gebruik en hangende een
onderzoek hun eigen, vermoedelijk juistere ‘alternatieve’ gegevens
in het register moeten kunnen zetten?
Hoe wijzen we gegevens waarover we terugmelden voor de
bronhouder (historisch) onderscheidbaar aan?
Onderzoeken
Onderzoek naar aanleiding van een terugmelding vindt plaats
buiten het register en leidt niet tot nieuwe projecties in de
leveringenstaat. Wel kan uit onderzoek blijken dat bij vermoedelijk
onjuiste projecties indicaties van verminderde
zekerheid over de juistheid moeten worden aangebracht.
Corrigeren
In de meeste gevallen is een levering foutief omdat 1 of meerdere
gevolgen die de basis vormen van deze projectie foutief waren. Het
corrigeren van een dergelijke levering begint dan met
correctiegevolgen in het gevolgenjournaal. Een correctiegevolg bevat
de gevolgen ‘hoe ze hadden moeten zijn’, en op basis van deze
subgevolgen kan een projectie hersteld worden. Er wordt bepaald
vanaf welk moment een bestaande projectie niet langer geldig is. Die
projectie krijgt daarna een vervallen op-indicatie,
waarmee de levering voor actief gebruik wordt afgesloten. En
daarnaast worden nieuwe projecties gemaakt, die met terugwerkende
kracht de foutieve projecties bovenschrijven.
Het is ook mogelijk dat uit onderzoek blijkt dat de
oorspronkelijk vastgelegde gevolgen correct waren, en dat de fout
hem in de afleiding van de projectie zit. Een dergelijke
softwarefout zal hersteld moeten worden, waarna een volledige of
selectieve replay gedaan moet worden: Ook in dit scenario
moet bepaald worden vanaf welk moment een bestaande foutieve
snapshot niet langer geldig is, en dat deze moet vervallen. Foutieve
snapshots worden geïdentificeerd en opnieuw opgebouwd, waarna ze
toegevoegd worden aan de leveringenstaat en de oude snapshot
bovenschrijven.
Verwerkingsverantwoording
Omdat projecties direct worden afgeleid uit gevolgen in het
gevolgenjournaal, is verwerkingsverantwoording aan de kant van de
leveringenstaat beperkter van omvang dan aan de journaalkant. De
voornaamste verantwoording ligt immers al besloten in de gevolgen
waarop een projectie is gebaseerd.
Aanleiding
De aanleiding verwijst naar het gevolg of de gevolgen die als
basis dienden voor de productie van de projectie. Daarmee is de
herkomst van een projectie altijd herleidbaar naar het
gevolgenjournaal.
Legitimering
Voor zover van toepassing wordt een verwijzing vastgelegd naar
het wettelijk of beleidskader dat diende als grondslag voor de
productie van de projectie - bijvoorbeeld als regelgeving
voorschrijft welke gegevens aan welke afnemers geleverd mogen of
moeten worden.
Verklaring
De verklaring omvat een verwijzing naar het algoritme of de
algoritmes die zijn gebruikt om van één of meer gevolgen een
projectie af te leiden, inclusief de versie daarvan. Zo is achteraf
reconstrueerbaar op welke manier de projectie tot stand is
gekomen.
Registratie
Bij iedere concrete levering kan het moment van opname in de
leveringenstaat worden meegeleverd. Of dat wenselijk is, hangt af
van de situatie. Bij een vraag naar de actuele stand is
registratietijd vaak niet relevant. In andere gevallen kan het
meesturen ervan juist ongewenst zijn, omdat het informatie kan
onthullen die niet met iedereen gedeeld mag worden, zoals het feit
dat een correctie heeft plaatsgevonden.
Geldigheid
Bij projecties die zijn opgebouwd uit meerdere gevolgen, is het
belangrijk onderscheid te maken tussen de geldigheidsdatum van de
projectie zelf en de domeindatums van de gegevens daarbinnen.
De geldigheidsdatum van een projectie geeft aan vanaf welk moment
deze weergave in deze vorm als ‘juist’ of ‘waar’ beschouwd wordt.
Die datum zegt (dus) niets over de ouderdom van in de projectie
betrokken objecten of andere daarin opgenomen gegevens.
Neem als voorbeeld de volgende gevolgen:
woz-object w1 ontstaan | gebeurd op 15-08-1994
belanghebbende bij woz-object w1 is p1 | gebeurd op 23-08-1994
belanghebbende bij woz-object w1 is p2 | gebeurd op 19-10-2009
belanghebbende bij woz-object w1 is p3 | gebeurd op 07-03-2023
Het WOZ-object bestaat al sinds 15-08-1994, maar de projectie is
voor het laatst bijgewerkt naar aanleiding van het gevolg van
07-03-2023. Die datum markeert dus niet het ontstaan van het object,
maar het meest recente domeinmoment dat de huidige vorm van de
projectie heeft bepaald.
Zonder die toelichting riskeert een afnemer de datum verkeerd te
interpreteren. Uit de projectie moet de betekenis daarom voldoende
duidelijk blijken - bijvoorbeeld door de
geldig vanaf-datum expliciet aan de projectie te
koppelen (zie het voorbeeld hieronder), of door aan te geven dat die
datum de laatste relevante wijziging in het domein betreft.
projectie l1
geldig vanaf 07-03-2023
woz-object w1
eerste registratie 15-08-1994
belanghebbenden
p1
start belang 23-08-1994
einde belang 18-10-2009
p2
start belang 19-10-2009
einde belang 06-03-2023
p3
start belang 07-03-2023
Zekerheid
Zekerheidsaanduidingen zijn in de eerste plaats relevant voor
afnemers. Zekerheid moet daarom zichtbaar zijn in leveringen en
(dus) onderdeel zijn van projecties.
Omdat onzekerheid diep kan doorwerken in ketens, is het niet
altijd voldoende alleen de zekerheid van een projectie als geheel
aan te geven. Een daartoe geautoriseerde afnemer moet ook kunnen
zien welk onderliggend gevolg de bron van twijfel is, zodat hij kan
beoordelen in hoeverre zijn eigen verwerking daarop steunt en hoe
hij daarmee wil omgaan.
Afhankelijk van de situatie kan een afnemer er bijvoorbeeld voor
kiezen een bedrijfsregel situationeel buiten werking te stellen,
onzekerheid door te geven aan zijn eigen afnemers, of processen die
op de gegevens steunen expliciet te laten waarschuwen wanneer zij
onzekere gegevens tegenkomen.
Onttrekking
Of een onttrekking ingrijpt in het gevolgenjournaal, de
leveringenstaat, of beide, hangt af van waar de fout zat. Zat deze
fout uitsluitend in de wijze waarop leveringen uit het
gevolgenjournaal werden afgeleid - en niet in de gevolgen zelf - dan
volstaat het de afleidingswijze te corrigeren en nieuwe projecties
te produceren.
In alle gevallen resulteert een onttrekking in opname van een
vervallen op-moment (zie ook corrigeren) bij de door de onttrekking
geraakte projecties. Daarmee wordt de projectie voor actief gebruik
afgesloten, zonder dat de oorspronkelijke vastlegging verdwijnt. De
onttrokken projectie blijft om de herhaalbare vraag te waarborgen
technisch behouden. Die is daarna echter alleen onder specifieke
voorwaarden - bijvoorbeeld voor juridisch of historisch onderzoek -
toegankelijk.
Als de onttrekking betrekking heeft op identiteitsdragende
kenmerken van een projectie, wordt de volledige projectie
onttrokken. Bij niet-identiteitsdragende kenmerken kan onttrekking
beperkt blijven tot die kenmerken, mits de implementatie dit
technisch toelaat.
Resultaat voor onttrokken gegevens moet in normaal verkeer
hetzelfde resultaat zijn als bevragingen van niet-bestaande
gegevens.
Ontwerpafwegingen
Dit moet nog verder uitgewerkt worden
Temporaliteit
Een belangrijke factor voor een projectie is de keuze voor wat
betreft temporaliteit. Voor het kunnen beantwoorden van de
herhaalbare vraag is bitemporaliteit een eis: Als ingegrepen wordt
op de tijdlijn, bijvoorbeeld als gevolg van een correctie, dient de
projectie nog steeds de oorspronkelijke snapshot te kunnen
reproduceren.
Bitemporaliteit brengt op zichzelf echter complexiteit met zich
mee die niet in alle gevallen nodig is. Wanneer een herhaalbare
vraag kunnen stellen minder of niet van belang is, zou een
specifieke temporele projectie op de geldigheidstijdlijn of alleen
een actuele state projectie ook kunnen voldoen.
Query-complexiteit
versus query-flexibiliteit
De keuze van gegevensrepresentatie van een projectie en de
gewenste informatie die een afnemer blieft bepaalt de complexiteit
van de (database)query die gedaan moet worden om in een
informatiebehoefte te voorzien. In het voorgestelde patroon, waarin
we commando’s, gevolgen en projecties van elkaar scheiden, hebben we
niet meer de ‘ballast’ van de commandokant, en kunnen we onze
projecties specifieker optimaliseren voor de afnemer(s).
Hier zijn echter nog steeds afwegingen in te maken. Een projectie
kan dusdanig gebouwd worden op een manier dat de payload
response van een query as is (in bijvoorbeeld een json
of xml structuur) opgeslagen wordt in de database. We noemen dit
snapshotting. Deze wijze van opslaan heeft een aantal
voordelen:
Dit is de best mogelijke manier om de herhaalbare vraag te
kunnen beantwoorden: De payload wordt as-is opgeslagen, en
veranderende code beïnvloedt deze payload niet.
Omdat de structuur van het bericht vast ligt, ook nadat er
codewijzigingen gedaan worden, kan er in terugmeldingen en
onderzoeken via bijvoorbeeld xpath of jsonpath hard verwezen worden
naar entiteiten of velden waarover getwijfeld wordt.
De (database)query is eenvoudig: Op basis van tijdstippen en een
index dient een payload opgezocht te worden. Dit voorkomt
grotendeels het leveren van foutieve informatie als gevolg van
foutief geïmplementeerde queries.
Zeker in combinatie met bitemporaliteit zien wij snapshotting als
een goede keuze voor wat betreft informatielevering. Bitemporaliteit
kan, in combinatie met bijvoorbeeld ingewikkelde correcties, zeer
ingewikkelde situaties opleveren die zelfs voor experts moeilijk te
doorgronden zijn. Het feit dat de query eenvoudig is en de payload
statisch is bij snapshotting, zelfs in bitemporele vorm, maakt dat
deze projectievorm uitermate robuust is voor het beantwoorden van de
herhaalbare vraag.
Snapshotting heeft echter ook nadelen: Omdat de datastructuur zo
rigide vast ligt kun je moeilijker, of niet, meerdere soorten vragen
beantwoorden met dezelfde projectie. Ook leent deze vorm van opslag
zich minder voor joins (het combineren van verschillende
payloads/entiteiten). Dit alles maakt deze structuur minder
flexibel, en dit dwingt je tot het maken van veel hele
afnemerspecifieke projecties.
Het meer traditionele relationele model kan naargelang behoefte
dan nog steeds een goede keuze zijn. Een relationeel model, en zeker
een bitemporeel relationeel model, is veel flexibeler in het kunnen
beantwoorden van allerhande soorten queries. De aard van de
datarepresentatie maakt echter wel de queries en de mapping naar de
doelstructuur van de payload complexer, wat de herhaalbaarheid van
vragen doet afnemen.
Betrouwbare
modellen versus onbetrouwbare realiteit
Een goed datamodel beschrijft structuren, entiteiten en
properties van een domein. Een huisnummer is een getal, terwijl een
adres een straatnaam bevat als string met een maximaal aantal
karakters. Deze eigenschappen worden idealiter goed gevalideerd aan
de commandokant, en door dat te doen kun je duidelijke contracten
afspreken met je afnemers over wat voor data je levert en in welke
vorm. Dergelijke modellen bepalen databasestructuren en beperkingen
voor wat betreft gegevensopslag.
De realiteit is echter vaak weerbarstig: Ooit verkeerd
geïmplementeerde validaties, oude data uit migraties of
veranderingen in het datamodel naar verloop van tijd kunnen er in
veel gevallen voor zorgen dat de data die je hebt niet altijd
voldoet aan het voorgeschreven gegevensmodel. Huisnummers met
letters, te lange straatnamen… Als je gebonden bent aan het principe
van het kunnen beantwoorden van de herhaalbare vraag zal deze data
altijd foutief blijven.
Een relationeel model biedt duidelijkheid over het datamodel,
maar is minder flexibel als het gaat om data die niet aan dit model
voldoet. Er moet altijd een keuze gemaakt worden: voor zeldzame
uitzonderingen dient het model aangepast te worden, of deze
uitzonderingen kunnen niet verwerkt worden. Hetzelfde probleem geldt
vaak voor berichtvalidaties via bijvoorbeeld XSD’s.
De consequenties van bijvoorbeeld een verhuizing niet doorgeven
omdat een straatnaam te lang bevonden wordt zien wij als zeer
onwenselijk. Afhankelijk van de datakwaliteit kan het dan een betere
keuze zijn om data-opslag en berichtverkeer flexibeler te maken
zodat afwijkingen van het datamodel wel opgeslagen en gecommuniceerd
kunnen worden. Richting een afnemer kan het dan wenselijk zijn deze
communicatie te doen met een extra melding: “in dit bericht voldoen
we niet aan het datamodel”.
Generaliseerbaar
versus specifieke implementatie
Moet nog verder ingevuld worden.
Varianten
Hieronder volgt een niet-uitputtende lijst van varianten van
projecties die gebruikt kunnen worden. Elke projectievariant heeft
voor- en nadelen die, afhankelijk van de use case, sterker of minder
sterk gelden. Het is niet ons doel om te stellen welk van deze
varianten de voorkeur geniet. Wel willen we voor- en nadelen van
projectievarianten benoemen.
Temporaliteit
Relationele database
Snapshots
Projectiegevolgen
actueel
temporeel
bitemporeel
Transactionaliteit
Een gevolg legt 1 besluit of gebeurtenis vast. Dit besluit kan
bestaan uit deelbesluiten of anderszins opdeelbare elementen, maar
uiteindelijk betreft het nog steeds 1 besluit, dat (voor zover
relevant voor de projectie) in zijn geheel wel of niet verwerkt
dient te worden in een projectie, wat in databasetermen betekent dat
een gevolg altijd in precies 1 databasetransactie verwerkt dient te
worden. Het verwerken van een door de business erkend gevolg in
meerdere (database)transacties kan er namelijk toe leiden dat
datacorruptie optreedt: als een gevolg in twee transacties verwerkt
wordt, zou de tweede transactie mis kunnen gaan, waarbij een
illegale situatie ontstaat.
Registeranatomie
In het voorgaande is de context beschreven. Hieronder beschrijven
we de elementen waaruit het register bestaat.
Om op basis van het ene het opvolgende bedrijfsobject te kunnen
produceren (bijvoorbeeld een gevolg op basis van een taak) zijn
handelingen (bijvoorbeeld taak uitvoeren) nodig. Deze
werden eerder impliciet benoemd, maar worden nu expliciet als
bedrijfsprocessen opgenomen.
De wijze waarop bedrijfsprocessen worden uitgevoerd is beschreven
in het model van de bounded context. De inhoud hiervan is
vaak gebaseerd op andere kaders, zoals wet- en regelgeving, beleid
en bedrijfs- of uitvoeringsregels. Het bindende karakter van het
model wordt benadrukt door de illustratie als contract.
Het register zelf is geïllustreerd als element van het
type application-collaboration om aan te geven dat het
register niet per se één applicatieve component hoeft te zijn, maar
ook - en misschien zelfs meestal - kan bestaan uit een samenhangende
verzameling applicatiecomponenten.
Van commando naar gevolg
De elementen die bijdragen aan de verwerking van commando’s en
productie van gevolgen op basis daarvan vormen de bijhoudingskant
(‘C’ in CQRS) van het
register.
Het register wordt bediend door het aanbieden van
commando’s. Deze data-objecten volgen altijd de
taal en het model van de bounded context waarbinnen ze worden
gemaakt en verwerkt.
Zowel de semantische en syntactische eisen aan commando’s als de
wijze waarop die verwerkt moeten worden, zijn beschreven in het
bijhoudingsmodel(data-object). Dit vormt dus het
contract op basis waarvan commando’s worden verwerkt.
De Commandoverwerkingsservice(applicatieservice) controleert of aangeboden commando’s
aan het contract voldoen.
Het bijhoudingsmodel en Commandoverwerkingsservice horen bij de
Commandoprocessor(applicatiecomponent) die met
het commando als input op basis van in het bijhoudingsmodel
beschreven regels gevolgen(data-objecten)
produceert.
Voor ieder bedrijfsobject van het type Gevolg dat wordt
geproduceerd als resultaat van het bedrijfsproces ‘Taak
uitvoeren’, wordt door het verwerken van een commando een equivalent
data-object van het type gevolg geproduceerd. Dit
data-object is een directe representatie van het
bijbehorende bedrijfsobject. Zo registeren we (tenminste)
de essentie van het overheidshandelen.
Gevolgen worden opgeslagen in de Gevolgenstore(applicatiecomponent).
De Gevolgenstore biedt toegang tot gevolgen via de
Gevolgen-bevrageninterface (applicatie-interface).
Deze interface wordt gebruikt door de Commandoprocessor als gegevens
uit eerder vastgelegde gevolgen nodig zijn om te beoordelen welk
gevolg moet worden geproduceerd.
Van gevolg naar projecties
De elementen die bijdragen aan de verwerking van gevolgen en
productie van projecties op basis daarvan vormen de leveringskant
(‘Q’ in CQRS) van het
register.
Een gevolg dient als input voor de
Gevolgenverwerkingsservice(applicatieservice).
De Gevolgenverwerkingsservice is onderdeel van de
Gevolgenprocessor(applicatiecomponent) die
projecties (data-objecten) produceert.
Projecties worden opgebouwd op basis van het
leveringsmodel(data-object) dat beschrijft welke
gegevens in welke vorm in een bepaalde projectie worden
opgenomen.
Een projectie is een data-object, bedoeld om afnemers
binnen en buiten ‘onze’ bounded context te informeren over wat
binnen onze context is gebeurd. Een projectie kan allerlei vormen
hebben: een databaserelatie, een notificatie(bericht) of een
(digitaal) document.
Van het ‘setje’ Gevolgenverwerkingsservice, Gevolgenprocessor en
leveringsmodel kunnen er meerdere naast elkaar bestaan. Dit betekent
dat één gevolg door meerdere Gevolgenprocessoren wordt verwerkt om
verschillende projecties op te bouwen.
Projecties kunnen ‘on demand’ (op aanvraag) worden gegenereerd of
worden gepersisteerd. In dat laatste geval is in de vorm van een
Projectiestore een extra applicatiecomponent
nodig.
Toegang tot projecties wordt geleverd door de
Projectietoegangsinterface(applicatie-interface).
Anders dan bij de relatie tussen Gevolg (bedrijfsobject)
en gevolg (dataobject), vormt de projectie (dataobject)
niet de volledige representatie van de Levering
(bedrijfsobject). De projectie bestaat immers direct nadat
die is geproduceerd, terwijl van een Levering pas sprake is nadat de
projectie of een selectie daaruit aan iets of iemand is beschikbaar
gesteld. Een Levering is daarom een voor consumptie aangeboden
projectie.
Bespiegeling over projectie op basis van gevolg versus
gevolg volgend op eerder gevolg
Bovenstaande laat ruimte voor discussie over de vraag in welke
gevallen sprake is van een projectie op basis van een
gevolg en een gevolg op basis van een eerder geproduceerd
gevolg. Hiernaar kunnen we op ten minste drie manieren
kijken:
Iedere bewering die op basis van een gevolg (geautomatiseerd)
binnen het register kan worden gecreëerd, beschouwen we als
projectie. De binnen het register geproduceerde bewering met een
‘happened’, of gebeurtenisachtig karakter “aanschrijfvorm van
persoon p1 gewijzigd in ‘mevrouw’” op basis van gevolg “geslacht van
persoon p1 gewijzigd in ‘vrouw’” wordt in dit geval beschouwd als
projectie.
We beschouwen alleen representaties van een gevolg zelf, of
daarvan afgeleide stand (of state-)informatie als projecties.
Vervolgbeweringen met een ‘happened’-karakter beschouwen we als
nieuwe gevolgen. De binnen het register geproduceerde bewering
“aanschrijfvorm van persoon p1 gewijzigd in ‘mevrouw’” op basis van
gevolg “geslacht van persoon p1 gewijzigd in ‘vrouw’” is in dit
geval als nieuw gevolg. De op basis van hetzelfde gevolg
geproduceerde standbewering “geslacht van p1 is ‘vrouw’” beschouwen
we wél als projectie.
We maken helemaal geen onderscheid tussen gevolgen en
projecties. Iedere nieuwe bewering zien we als gevolg.
Niet
geïllustreerd: van signaal naar commando
Het verwerken van signalen kan uiteraard ook applicatief
ondersteund en eventueel geautomatiseerd worden. Dit geldt zeker als
een signaal in de vorm van een notificatie wordt ontvangen. Omdat
zo’n notificatie (ten opzichte van het register) veelal van
buiten de ‘eigen’ bounded context afkomstig is, en vanuit
het register dus geen controle bestaat over de vorm en inhoud
daarvan, beschouwen we de elementen in de applicatiearchitectuur die
hiervoor nodig zijn niet als onderdeel van het register.
Deze elementen zijn daarom hierboven niet geïllustreerd. Omdat deze
stap bij contextovergangen een
belangrijke rol kan spelen, is het echter wel belangrijk deze te
benoemen.